horten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of horten

The word "horten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: horten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hortend
Past participle - Verleden deelwoord: gehort

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhort
jijhort
hijhort
wijhorten
julliehorten
zijhorten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehort
jijhebt gehort
hijheeft gehort
wijhebben gehort
julliehebben gehort
zijhebben gehort

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhortte
jijhortte
hijhortte
wijhortten
julliehortten
zijhortten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehort
jijhad gehort
hijhad gehort
wijhadden gehort
julliehadden gehort
zijhadden gehort

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal horten
jijzult horten
hijzal horten
wijzullen horten
julliezullen horten
zijzullen horten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehort hebben
jijzult gehort hebben
hijzal gehort hebben
wijzullen gehort hebben
julliezullen gehort hebben
zijzullen gehort hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou horten
jijzou horten
hijzou horten
wijzouden horten
julliezouden horten
zijzouden horten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehort hebben
jijzou gehort hebben
hijzou gehort hebben
wijzouden gehort hebben
julliezouden gehort hebben
zijzouden gehort hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhort

Verbs similar to 'horten'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "horten"

English hurt, French heurter.

Additional Information