handen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of handen

The word "handen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: handen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: handend
Past participle - Verleden deelwoord: gehand

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhand
jijhandt
hijhandt
wijhanden
julliehanden
zijhanden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehand
jijhebt gehand
hijheeft gehand
wijhebben gehand
julliehebben gehand
zijhebben gehand

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhandde
jijhandde
hijhandde
wijhandden
julliehandden
zijhandden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehand
jijhad gehand
hijhad gehand
wijhadden gehand
julliehadden gehand
zijhadden gehand

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal handen
jijzult handen
hijzal handen
wijzullen handen
julliezullen handen
zijzullen handen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehand hebben
jijzult gehand hebben
hijzal gehand hebben
wijzullen gehand hebben
julliezullen gehand hebben
zijzullen gehand hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou handen
jijzou handen
hijzou handen
wijzouden handen
julliezouden handen
zijzouden handen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehand hebben
jijzou gehand hebben
hijzou gehand hebben
wijzouden gehand hebben
julliezouden gehand hebben
zijzouden gehand hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhand

Verbs similar to 'handen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "handen"

English hand.

Additional Information