fatsoeneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fatsoeneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fatsoeneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fatsoenerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefatsoeneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfatsoeneer
jijfatsoeneert
hijfatsoeneert
wijfatsoeneren
julliefatsoeneren
zijfatsoeneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefatsoeneerd
jijhebt gefatsoeneerd
hijheeft gefatsoeneerd
wijhebben gefatsoeneerd
julliehebben gefatsoeneerd
zijhebben gefatsoeneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfatsoeneerde
jijfatsoeneerde
hijfatsoeneerde
wijfatsoeneerden
julliefatsoeneerden
zijfatsoeneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefatsoeneerd
jijhad gefatsoeneerd
hijhad gefatsoeneerd
wijhadden gefatsoeneerd
julliehadden gefatsoeneerd
zijhadden gefatsoeneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fatsoeneren
jijzult fatsoeneren
hijzal fatsoeneren
wijzullen fatsoeneren
julliezullen fatsoeneren
zijzullen fatsoeneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefatsoeneerd hebben
jijzult gefatsoeneerd hebben
hijzal gefatsoeneerd hebben
wijzullen gefatsoeneerd hebben
julliezullen gefatsoeneerd hebben
zijzullen gefatsoeneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fatsoeneren
jijzou fatsoeneren
hijzou fatsoeneren
wijzouden fatsoeneren
julliezouden fatsoeneren
zijzouden fatsoeneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefatsoeneerd hebben
jijzou gefatsoeneerd hebben
hijzou gefatsoeneerd hebben
wijzouden gefatsoeneerd hebben
julliezouden gefatsoeneerd hebben
zijzouden gefatsoeneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfatsoeneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

bijwerken
modelleren, opknappen, opruimen

Sample Sentences

Etymology

From fatsoen + -eren.

Additional Information