etsen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of etsen

The word "etsen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: etsen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: etsend
Past participle - Verleden deelwoord: geëtst

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikets
jijetst
hijetst
wijetsen
jullieetsen
zijetsen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëtst
jijhebt geëtst
hijheeft geëtst
wijhebben geëtst
julliehebben geëtst
zijhebben geëtst

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iketste
jijetste
hijetste
wijetsten
jullieetsten
zijetsten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëtst
jijhad geëtst
hijhad geëtst
wijhadden geëtst
julliehadden geëtst
zijhadden geëtst

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal etsen
jijzult etsen
hijzal etsen
wijzullen etsen
julliezullen etsen
zijzullen etsen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëtst hebben
jijzult geëtst hebben
hijzal geëtst hebben
wijzullen geëtst hebben
julliezullen geëtst hebben
zijzullen geëtst hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou etsen
jijzou etsen
hijzou etsen
wijzouden etsen
julliezouden etsen
zijzouden etsen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëtst hebben
jijzou geëtst hebben
hijzou geëtst hebben
wijzouden geëtst hebben
julliezouden geëtst hebben
zijzouden geëtst hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijets

Verbs similar to 'etsen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from German ätzen (“to etch”), from Middle High German [Term?], from Old High German azzon (“to cause to bite or feed”), from Proto-Germanic *atjaną, causative of *etaną (“to eat”). Doublet of etten. See: German, old spelling 'ätzen', Proto-Germanic '*atjaną'.

Verbs referencing "etsen"

English etch.

Additional Information