disculperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of disculperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: disculperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: disculperend
Past participle - Verleden deelwoord: gedisculpeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdisculpeer
jijdisculpeert
hijdisculpeert
wijdisculperen
julliedisculperen
zijdisculperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedisculpeerd
jijhebt gedisculpeerd
hijheeft gedisculpeerd
wijhebben gedisculpeerd
julliehebben gedisculpeerd
zijhebben gedisculpeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdisculpeerde
jijdisculpeerde
hijdisculpeerde
wijdisculpeerden
julliedisculpeerden
zijdisculpeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedisculpeerd
jijhad gedisculpeerd
hijhad gedisculpeerd
wijhadden gedisculpeerd
julliehadden gedisculpeerd
zijhadden gedisculpeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal disculperen
jijzult disculperen
hijzal disculperen
wijzullen disculperen
julliezullen disculperen
zijzullen disculperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedisculpeerd hebben
jijzult gedisculpeerd hebben
hijzal gedisculpeerd hebben
wijzullen gedisculpeerd hebben
julliezullen gedisculpeerd hebben
zijzullen gedisculpeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou disculperen
jijzou disculperen
hijzou disculperen
wijzouden disculperen
julliezouden disculperen
zijzouden disculperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedisculpeerd hebben
jijzou gedisculpeerd hebben
hijzou gedisculpeerd hebben
wijzouden gedisculpeerd hebben
julliezouden gedisculpeerd hebben
zijzouden gedisculpeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdisculpeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information