captiveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of captiveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: captiveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: captiverend
Past participle - Verleden deelwoord: gecaptiveerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcaptiveer
jijcaptiveert
hijcaptiveert
wijcaptiveren
julliecaptiveren
zijcaptiveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecaptiveerd
jijhebt gecaptiveerd
hijheeft gecaptiveerd
wijhebben gecaptiveerd
julliehebben gecaptiveerd
zijhebben gecaptiveerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcaptiveerde
jijcaptiveerde
hijcaptiveerde
wijcaptiveerden
julliecaptiveerden
zijcaptiveerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecaptiveerd
jijhad gecaptiveerd
hijhad gecaptiveerd
wijhadden gecaptiveerd
julliehadden gecaptiveerd
zijhadden gecaptiveerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal captiveren
jijzult captiveren
hijzal captiveren
wijzullen captiveren
julliezullen captiveren
zijzullen captiveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecaptiveerd hebben
jijzult gecaptiveerd hebben
hijzal gecaptiveerd hebben
wijzullen gecaptiveerd hebben
julliezullen gecaptiveerd hebben
zijzullen gecaptiveerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou captiveren
jijzou captiveren
hijzou captiveren
wijzouden captiveren
julliezouden captiveren
zijzouden captiveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecaptiveerd hebben
jijzou gecaptiveerd hebben
hijzou gecaptiveerd hebben
wijzouden gecaptiveerd hebben
julliezouden gecaptiveerd hebben
zijzouden gecaptiveerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcaptiveer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information