botsen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of botsen

The word "botsen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: botsen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: botsend
Past participle - Verleden deelwoord: gebotst

Cognates

See the 3 cognates of botsen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbots
jijbotst
hijbotst
wijbotsen
julliebotsen
zijbotsen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebotst
jijhebt gebotst
hijheeft gebotst
wijhebben gebotst
julliehebben gebotst
zijhebben gebotst

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbotste
jijbotste
hijbotste
wijbotsten
julliebotsten
zijbotsten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebotst
jijhad gebotst
hijhad gebotst
wijhadden gebotst
julliehadden gebotst
zijhadden gebotst

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal botsen
jijzult botsen
hijzal botsen
wijzullen botsen
julliezullen botsen
zijzullen botsen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebotst hebben
jijzult gebotst hebben
hijzal gebotst hebben
wijzullen gebotst hebben
julliezullen gebotst hebben
zijzullen gebotst hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou botsen
jijzou botsen
hijzou botsen
wijzouden botsen
julliezouden botsen
zijzouden botsen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebotst hebben
jijzou gebotst hebben
hijzou gebotst hebben
wijzouden gebotst hebben
julliezouden gebotst hebben
zijzouden gebotst hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbots

Verbs similar to 'botsen'

Translations

  • bump, to knock against with a light blow or collision
  • collide, to impact directly, especially if violent
  • encounter, meet (someone) or find (something), especially unexpectedly
  • knock, to bump or impact
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from German butzen, butschen, from Middle High German butzen, *bōʒen (see modern Butzen (“to beat”)) or perhaps onomatopoeic. See: German, old spelling 'butzen', Middle High German 'butzen'.

    Verbs referencing "botsen"

    English bodge, Swedish butta.

    Additional Information