biepen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of biepen

The word "biepen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: biepen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: biepend
Past participle - Verleden deelwoord: gebiept

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbiep
jijbiept
hijbiept
wijbiepen
julliebiepen
zijbiepen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebiept
jijhebt gebiept
hijheeft gebiept
wijhebben gebiept
julliehebben gebiept
zijhebben gebiept

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbiepte
jijbiepte
hijbiepte
wijbiepten
julliebiepten
zijbiepten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebiept
jijhad gebiept
hijhad gebiept
wijhadden gebiept
julliehadden gebiept
zijhadden gebiept

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal biepen
jijzult biepen
hijzal biepen
wijzullen biepen
julliezullen biepen
zijzullen biepen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebiept hebben
jijzult gebiept hebben
hijzal gebiept hebben
wijzullen gebiept hebben
julliezullen gebiept hebben
zijzullen gebiept hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou biepen
jijzou biepen
hijzou biepen
wijzouden biepen
julliezouden biepen
zijzouden biepen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebiept hebben
jijzou gebiept hebben
hijzou gebiept hebben
wijzouden gebiept hebben
julliezouden gebiept hebben
zijzouden gebiept hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbiep

Verbs similar to 'biepen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English beep, or onomatopoeic. See: English 'beep'.

Additional Information