belagen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of belagen

The word "belagen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: belagen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: belagend
Past participle - Verleden deelwoord: belaagd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbelaag
jijbelaagt
hijbelaagt
wijbelagen
julliebelagen
zijbelagen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb belaagd
jijhebt belaagd
hijheeft belaagd
wijhebben belaagd
julliehebben belaagd
zijhebben belaagd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbelaagde
jijbelaagde
hijbelaagde
wijbelaagden
julliebelaagden
zijbelaagden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad belaagd
jijhad belaagd
hijhad belaagd
wijhadden belaagd
julliehadden belaagd
zijhadden belaagd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal belagen
jijzult belagen
hijzal belagen
wijzullen belagen
julliezullen belagen
zijzullen belagen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal belaagd hebben
jijzult belaagd hebben
hijzal belaagd hebben
wijzullen belaagd hebben
julliezullen belaagd hebben
zijzullen belaagd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou belagen
jijzou belagen
hijzou belagen
wijzouden belagen
julliezouden belagen
zijzouden belagen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou belaagd hebben
jijzou belaagd hebben
hijzou belaagd hebben
wijzouden belaagd hebben
julliezouden belaagd hebben
zijzouden belaagd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbelaag

Verbs similar to 'belagen'

Translations

  • waylay, to lie in wait for and attack from ambush
  • besiege, to assail or ply
  • beleaguer, to vex, harass, or beset
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch belagen, from lagen, from lage (modern laag).

    Additional Information