barfen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of barfen

The word "barfen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: barfen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: barfend
Past participle - Verleden deelwoord: gebarft

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbarf
jijbarft
hijbarft
wijbarfen
julliebarfen
zijbarfen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebarft
jijhebt gebarft
hijheeft gebarft
wijhebben gebarft
julliehebben gebarft
zijhebben gebarft

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbarfte
jijbarfte
hijbarfte
wijbarften
julliebarften
zijbarften

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebarft
jijhad gebarft
hijhad gebarft
wijhadden gebarft
julliehadden gebarft
zijhadden gebarft

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal barfen
jijzult barfen
hijzal barfen
wijzullen barfen
julliezullen barfen
zijzullen barfen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebarft hebben
jijzult gebarft hebben
hijzal gebarft hebben
wijzullen gebarft hebben
julliezullen gebarft hebben
zijzullen gebarft hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou barfen
jijzou barfen
hijzou barfen
wijzouden barfen
julliezouden barfen
zijzouden barfen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebarft hebben
jijzou gebarft hebben
hijzou gebarft hebben
wijzouden gebarft hebben
julliezouden gebarft hebben
zijzouden gebarft hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbarf

Verbs similar to 'barfen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

21st century; borrowed from English barf. By surface analysis, barf + -en. See: English 'barf'.

Additional Information