zwijken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zwijken

The word "zwijken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zwijken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zwijkend
Past participle - Verleden deelwoord: gezwijkt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzwijk
jijzwijkt
hijzwijkt
wijzwijken
julliezwijken
zijzwijken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezwijkt
jijhebt gezwijkt
hijheeft gezwijkt
wijhebben gezwijkt
julliehebben gezwijkt
zijhebben gezwijkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzwijkte
jijzwijkte
hijzwijkte
wijzwijkten
julliezwijkten
zijzwijkten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezwijkt
jijhad gezwijkt
hijhad gezwijkt
wijhadden gezwijkt
julliehadden gezwijkt
zijhadden gezwijkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zwijken
jijzult zwijken
hijzal zwijken
wijzullen zwijken
julliezullen zwijken
zijzullen zwijken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezwijkt hebben
jijzult gezwijkt hebben
hijzal gezwijkt hebben
wijzullen gezwijkt hebben
julliezullen gezwijkt hebben
zijzullen gezwijkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zwijken
jijzou zwijken
hijzou zwijken
wijzouden zwijken
julliezouden zwijken
zijzouden zwijken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezwijkt hebben
jijzou gezwijkt hebben
hijzou gezwijkt hebben
wijzouden gezwijkt hebben
julliezouden gezwijkt hebben
zijzouden gezwijkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzwijk

Verbs similar to 'zwijken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch swiken, from Old Dutch *swīcan, from Proto-West Germanic *swīkwan, from Proto-Germanic *swīkwaną. See: Middle Dutch 'swiken', Proto-Germanic '*swīkwaną'.

Additional Information