zomen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zomen

The word "zomen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zomen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zomend
Past participle - Verleden deelwoord: gezoomd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzoom
jijzoomt
hijzoomt
wijzomen
julliezomen
zijzomen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezoomd
jijhebt gezoomd
hijheeft gezoomd
wijhebben gezoomd
julliehebben gezoomd
zijhebben gezoomd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzoomde
jijzoomde
hijzoomde
wijzoomden
julliezoomden
zijzoomden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezoomd
jijhad gezoomd
hijhad gezoomd
wijhadden gezoomd
julliehadden gezoomd
zijhadden gezoomd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zomen
jijzult zomen
hijzal zomen
wijzullen zomen
julliezullen zomen
zijzullen zomen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezoomd hebben
jijzult gezoomd hebben
hijzal gezoomd hebben
wijzullen gezoomd hebben
julliezullen gezoomd hebben
zijzullen gezoomd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zomen
jijzou zomen
hijzou zomen
wijzouden zomen
julliezouden zomen
zijzouden zomen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezoomd hebben
jijzou gezoomd hebben
hijzou gezoomd hebben
wijzouden gezoomd hebben
julliezouden gezoomd hebben
zijzouden gezoomd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzoom

Verbs similar to 'zomen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch sômen, from Old Dutch *sōmen, from Proto-West Germanic *saumijan, from Proto-Germanic *saumijaną. Equivalent to zoom + -en. See: Proto-Germanic '*saumijaną'.

Verbs referencing "zomen"

Danish sømme.

Additional Information