zegepralen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zegepralen

The word "zegepralen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zegepralen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zegepralend
Past participle - Verleden deelwoord: gezegepraald

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzegepraal
jijzegepraalt
hijzegepraalt
wijzegepralen
julliezegepralen
zijzegepralen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezegepraald
jijhebt gezegepraald
hijheeft gezegepraald
wijhebben gezegepraald
julliehebben gezegepraald
zijhebben gezegepraald

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzegepraalde
jijzegepraalde
hijzegepraalde
wijzegepraalden
julliezegepraalden
zijzegepraalden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezegepraald
jijhad gezegepraald
hijhad gezegepraald
wijhadden gezegepraald
julliehadden gezegepraald
zijhadden gezegepraald

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zegepralen
jijzult zegepralen
hijzal zegepralen
wijzullen zegepralen
julliezullen zegepralen
zijzullen zegepralen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezegepraald hebben
jijzult gezegepraald hebben
hijzal gezegepraald hebben
wijzullen gezegepraald hebben
julliezullen gezegepraald hebben
zijzullen gezegepraald hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zegepralen
jijzou zegepralen
hijzou zegepralen
wijzouden zegepralen
julliezouden zegepralen
zijzouden zegepralen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezegepraald hebben
jijzou gezegepraald hebben
hijzou gezegepraald hebben
wijzouden gezegepraald hebben
julliezouden gezegepraald hebben
zijzouden gezegepraald hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzegepraal

Verbs similar to 'zegepralen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information