zegelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zegelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zegelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zegelend
Past participle - Verleden deelwoord: gezegeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzegel
jijzegelt
hijzegelt
wijzegelen
julliezegelen
zijzegelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezegeld
jijhebt gezegeld
hijheeft gezegeld
wijhebben gezegeld
julliehebben gezegeld
zijhebben gezegeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzegelde
jijzegelde
hijzegelde
wijzegelden
julliezegelden
zijzegelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezegeld
jijhad gezegeld
hijhad gezegeld
wijhadden gezegeld
julliehadden gezegeld
zijhadden gezegeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zegelen
jijzult zegelen
hijzal zegelen
wijzullen zegelen
julliezullen zegelen
zijzullen zegelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezegeld hebben
jijzult gezegeld hebben
hijzal gezegeld hebben
wijzullen gezegeld hebben
julliezullen gezegeld hebben
zijzullen gezegeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zegelen
jijzou zegelen
hijzou zegelen
wijzouden zegelen
julliezouden zegelen
zijzouden zegelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezegeld hebben
jijzou gezegeld hebben
hijzou gezegeld hebben
wijzouden gezegeld hebben
julliezouden gezegeld hebben
zijzouden gezegeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzegel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch segelen (“to seal”), from Latin sigillare, from sigillum (“a seal”). Equivalent to zegel (“seal”) + -en.

Additional Information