wegregelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wegregelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wegregelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wegregelend
Past participle - Verleden deelwoord: weggeregeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikregel weg
jijregelt weg
hijregelt weg
wijregelen weg
jullieregelen weg
zijregelen weg

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb weggeregeld
jijhebt weggeregeld
hijheeft weggeregeld
wijhebben weggeregeld
julliehebben weggeregeld
zijhebben weggeregeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikregelde weg
jijregelde weg
hijregelde weg
wijregelden weg
jullieregelden weg
zijregelden weg

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad weggeregeld
jijhad weggeregeld
hijhad weggeregeld
wijhadden weggeregeld
julliehadden weggeregeld
zijhadden weggeregeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wegregelen
jijzult wegregelen
hijzal wegregelen
wijzullen wegregelen
julliezullen wegregelen
zijzullen wegregelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal weggeregeld hebben
jijzult weggeregeld hebben
hijzal weggeregeld hebben
wijzullen weggeregeld hebben
julliezullen weggeregeld hebben
zijzullen weggeregeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wegregelen
jijzou wegregelen
hijzou wegregelen
wijzouden wegregelen
julliezouden wegregelen
zijzouden wegregelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou weggeregeld hebben
jijzou weggeregeld hebben
hijzou weggeregeld hebben
wijzouden weggeregeld hebben
julliezouden weggeregeld hebben
zijzouden weggeregeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijregel weg

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information