wegleiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wegleiden

The word "wegleiden" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wegleiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wegleidend
Past participle - Verleden deelwoord: weggeleid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikleid weg
jijleidt weg
hijleidt weg
wijleiden weg
jullieleiden weg
zijleiden weg

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb weggeleid
jijhebt weggeleid
hijheeft weggeleid
wijhebben weggeleid
julliehebben weggeleid
zijhebben weggeleid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikleidde weg
jijleidde weg
hijleidde weg
wijleidden weg
jullieleidden weg
zijleidden weg

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad weggeleid
jijhad weggeleid
hijhad weggeleid
wijhadden weggeleid
julliehadden weggeleid
zijhadden weggeleid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wegleiden
jijzult wegleiden
hijzal wegleiden
wijzullen wegleiden
julliezullen wegleiden
zijzullen wegleiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal weggeleid hebben
jijzult weggeleid hebben
hijzal weggeleid hebben
wijzullen weggeleid hebben
julliezullen weggeleid hebben
zijzullen weggeleid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wegleiden
jijzou wegleiden
hijzou wegleiden
wijzouden wegleiden
julliezouden wegleiden
zijzouden wegleiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou weggeleid hebben
jijzou weggeleid hebben
hijzou weggeleid hebben
wijzouden weggeleid hebben
julliezouden weggeleid hebben
zijzouden weggeleid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijleid weg

Verbs similar to 'wegleiden'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information