wanken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wanken

The word "wanken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wanken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wankend
Past participle - Verleden deelwoord: gewankt

Cognates

See the 2 cognates of wanken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwank
jijwankt
hijwankt
wijwanken
julliewanken
zijwanken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewankt
jijhebt gewankt
hijheeft gewankt
wijhebben gewankt
julliehebben gewankt
zijhebben gewankt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwankte
jijwankte
hijwankte
wijwankten
julliewankten
zijwankten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewankt
jijhad gewankt
hijhad gewankt
wijhadden gewankt
julliehadden gewankt
zijhadden gewankt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wanken
jijzult wanken
hijzal wanken
wijzullen wanken
julliezullen wanken
zijzullen wanken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewankt hebben
jijzult gewankt hebben
hijzal gewankt hebben
wijzullen gewankt hebben
julliezullen gewankt hebben
zijzullen gewankt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wanken
jijzou wanken
hijzou wanken
wijzouden wanken
julliezouden wanken
zijzouden wanken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewankt hebben
jijzou gewankt hebben
hijzou gewankt hebben
wijzouden gewankt hebben
julliezouden gewankt hebben
zijzouden gewankt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwank

Verbs similar to 'wanken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "wanken"

English wank.

Additional Information