volleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of volleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: volleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vollerend
Past participle - Verleden deelwoord: volleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvolleer
jijvolleert
hijvolleert
wijvolleren
jullievolleren
zijvolleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb volleerd
jijhebt volleerd
hijheeft volleerd
wijhebben volleerd
julliehebben volleerd
zijhebben volleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvolleerde
jijvolleerde
hijvolleerde
wijvolleerden
jullievolleerden
zijvolleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad volleerd
jijhad volleerd
hijhad volleerd
wijhadden volleerd
julliehadden volleerd
zijhadden volleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal volleren
jijzult volleren
hijzal volleren
wijzullen volleren
julliezullen volleren
zijzullen volleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal volleerd hebben
jijzult volleerd hebben
hijzal volleerd hebben
wijzullen volleerd hebben
julliezullen volleerd hebben
zijzullen volleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou volleren
jijzou volleren
hijzou volleren
wijzouden volleren
julliezouden volleren
zijzouden volleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou volleerd hebben
jijzou volleerd hebben
hijzou volleerd hebben
wijzouden volleerd hebben
julliezouden volleerd hebben
zijzouden volleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvolleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information