Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: vieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vierend
Past participle - Verleden deelwoord: gevierd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | vier |
| jij | viert |
| hij | viert |
| wij | vieren |
| jullie | vieren |
| zij | vieren |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gevierd |
| jij | hebt gevierd |
| hij | heeft gevierd |
| wij | hebben gevierd |
| jullie | hebben gevierd |
| zij | hebben gevierd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | vierde |
| jij | vierde |
| hij | vierde |
| wij | vierden |
| jullie | vierden |
| zij | vierden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gevierd |
| jij | had gevierd |
| hij | had gevierd |
| wij | hadden gevierd |
| jullie | hadden gevierd |
| zij | hadden gevierd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal vieren |
| jij | zult vieren |
| hij | zal vieren |
| wij | zullen vieren |
| jullie | zullen vieren |
| zij | zullen vieren |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gevierd hebben |
| jij | zult gevierd hebben |
| hij | zal gevierd hebben |
| wij | zullen gevierd hebben |
| jullie | zullen gevierd hebben |
| zij | zullen gevierd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou vieren |
| jij | zou vieren |
| hij | zou vieren |
| wij | zouden vieren |
| jullie | zouden vieren |
| zij | zouden vieren |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gevierd hebben |
| jij | zou gevierd hebben |
| hij | zou gevierd hebben |
| wij | zouden gevierd hebben |
| jullie | zouden gevierd hebben |
| zij | zouden gevierd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'vieren'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'vieren'
gieren,
kieren,
lieren,
mieren,
sieren,
tieren,
veren,
vigeren,
viseren,
voeren,
Translations
celebrate, extol or honour in a solemn manner
celebrate, honour by rites, ceremonies, etc.
celebrate, perform or participate in
mass, celebrate Mass
party, to celebrate at a party
Sample Sentences
-
[...] op deze plaats ingetreden, schoon de drie laatste jaren van mijn verblijf eigenlijk met de vorige niet kunnen vergeleken worden, daar het in dien tijd geheel anders was geworden dan vroeger. Ik vierde dit jaarfeest van mijne komst alhier met dezelfde dankbaarheid jegens God, voor zijne goedheid, als het eerste; en had ik toen reeds zoo veel stof tot dankbaarheid, nu was dit nog veel meer het [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] had ontvangen, en de hoop op eene spoedige bevrijding koesterde, want ik hield mij vast overtuigd, dat mijne bevrijding spoedig op handen was, en ik geen volgende verjaring mijner komst aldaar zou vieren. Ik bleef echter even zoo voor mijne huishouding zorgen als te voren; ik spitte en plantte en omheinde, droogde mijne druiven, en deed al wat noodig was, als te voren.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch vieren, from Old Dutch fīron, from Latin fērior. See: Old Dutch 'fīron', Latin '
fērior'.
Verbs referencing "vieren"
German, old spelling
feiern, Danish
fejre.
Additional Information