verpesten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verpesten

The word "verpesten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verpesten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verpestend
Past participle - Verleden deelwoord: verpest

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverpest
jijverpest
hijverpest
wijverpesten
jullieverpesten
zijverpesten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verpest
jijhebt verpest
hijheeft verpest
wijhebben verpest
julliehebben verpest
zijhebben verpest

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverpestte
jijverpestte
hijverpestte
wijverpestten
jullieverpestten
zijverpestten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verpest
jijhad verpest
hijhad verpest
wijhadden verpest
julliehadden verpest
zijhadden verpest

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verpesten
jijzult verpesten
hijzal verpesten
wijzullen verpesten
julliezullen verpesten
zijzullen verpesten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verpest hebben
jijzult verpest hebben
hijzal verpest hebben
wijzullen verpest hebben
julliezullen verpest hebben
zijzullen verpest hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verpesten
jijzou verpesten
hijzou verpesten
wijzouden verpesten
julliezouden verpesten
zijzouden verpesten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verpest hebben
jijzou verpest hebben
hijzou verpest hebben
wijzouden verpest hebben
julliezouden verpest hebben
zijzouden verpest hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverpest

Verbs similar to 'verpesten'

Translations

  • mar, to spoil, to damage
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From pest + ver- -en.

    Additional Information