uitdoven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitdoven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitdoven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitdovend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgedoofd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdoof uit
jijdooft uit
hijdooft uit
wijdoven uit
julliedoven uit
zijdoven uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgedoofd
jijhebt uitgedoofd
hijheeft uitgedoofd
wijhebben uitgedoofd
julliehebben uitgedoofd
zijhebben uitgedoofd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdoofde uit
jijdoofde uit
hijdoofde uit
wijdoofden uit
julliedoofden uit
zijdoofden uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgedoofd
jijhad uitgedoofd
hijhad uitgedoofd
wijhadden uitgedoofd
julliehadden uitgedoofd
zijhadden uitgedoofd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitdoven
jijzult uitdoven
hijzal uitdoven
wijzullen uitdoven
julliezullen uitdoven
zijzullen uitdoven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgedoofd hebben
jijzult uitgedoofd hebben
hijzal uitgedoofd hebben
wijzullen uitgedoofd hebben
julliezullen uitgedoofd hebben
zijzullen uitgedoofd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitdoven
jijzou uitdoven
hijzou uitdoven
wijzouden uitdoven
julliezouden uitdoven
zijzouden uitdoven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgedoofd hebben
jijzou uitgedoofd hebben
hijzou uitgedoofd hebben
wijzouden uitgedoofd hebben
julliezouden uitgedoofd hebben
zijzouden uitgedoofd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdoof uit

Verbs conjugated like 'uitdoven'

aandraven, aaneenkleven, aanschaven, afroven, afschaven, afsloven, beleven, beloven, beroven, beschaven, beven, dichtreven, doven, draven, geloven, kleven, kloven, laven, leven, loven, etc. (List truncated at 20 verbs)

Translations

  • douse, put out; extinguish
  • quench, to extinguish or put out
  • extinguish, to put out, as in fire; to end burning; to quench
  • smother, to extinguish or deaden
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    blussen
    doven, uitdoen
    doden
    smoren, verstikken

    Sample Sentences

    Etymology

    From uit + doven.

    Additional Information