uitbreiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitbreiden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitbreiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitbreidend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgebreid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbreid uit
jijbreidt uit
hijbreidt uit
wijbreiden uit
julliebreiden uit
zijbreiden uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgebreid
jijhebt uitgebreid
hijheeft uitgebreid
wijhebben uitgebreid
julliehebben uitgebreid
zijhebben uitgebreid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbreidde uit
jijbreidde uit
hijbreidde uit
wijbreidden uit
julliebreidden uit
zijbreidden uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgebreid
jijhad uitgebreid
hijhad uitgebreid
wijhadden uitgebreid
julliehadden uitgebreid
zijhadden uitgebreid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitbreiden
jijzult uitbreiden
hijzal uitbreiden
wijzullen uitbreiden
julliezullen uitbreiden
zijzullen uitbreiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgebreid hebben
jijzult uitgebreid hebben
hijzal uitgebreid hebben
wijzullen uitgebreid hebben
julliezullen uitgebreid hebben
zijzullen uitgebreid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitbreiden
jijzou uitbreiden
hijzou uitbreiden
wijzouden uitbreiden
julliezouden uitbreiden
zijzouden uitbreiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgebreid hebben
jijzou uitgebreid hebben
hijzou uitgebreid hebben
wijzouden uitgebreid hebben
julliezouden uitgebreid hebben
zijzouden uitgebreid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbreid uit

Translations

  • spread, to stretch out, expand
  • spread, (intransitive) to take up a larger area, expand
  • expand, (transitive) to change from a smaller form/size to a larger one
  • expand, (transitive) to increase the extent, number, volume or scope of
  • extend, to increase in extent
  • extend, to cause to increase in extent
  • enhance, augment or make something greater
  • enhance, improve something by adding features
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    uitbouwen
    vergroten, vermeerderen
    openslaan
    uitstrekken

    Sample Sentences

    Etymology

    From uit (“out”) + breed (“broad”) + -en.

    Additional Information