trepaneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of trepaneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: trepaneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: trepanerend
Past participle - Verleden deelwoord: getrepaneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktrepaneer
jijtrepaneert
hijtrepaneert
wijtrepaneren
jullietrepaneren
zijtrepaneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getrepaneerd
jijhebt getrepaneerd
hijheeft getrepaneerd
wijhebben getrepaneerd
julliehebben getrepaneerd
zijhebben getrepaneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktrepaneerde
jijtrepaneerde
hijtrepaneerde
wijtrepaneerden
jullietrepaneerden
zijtrepaneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getrepaneerd
jijhad getrepaneerd
hijhad getrepaneerd
wijhadden getrepaneerd
julliehadden getrepaneerd
zijhadden getrepaneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal trepaneren
jijzult trepaneren
hijzal trepaneren
wijzullen trepaneren
julliezullen trepaneren
zijzullen trepaneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getrepaneerd hebben
jijzult getrepaneerd hebben
hijzal getrepaneerd hebben
wijzullen getrepaneerd hebben
julliezullen getrepaneerd hebben
zijzullen getrepaneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou trepaneren
jijzou trepaneren
hijzou trepaneren
wijzouden trepaneren
julliezouden trepaneren
zijzouden trepaneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getrepaneerd hebben
jijzou getrepaneerd hebben
hijzou getrepaneerd hebben
wijzouden getrepaneerd hebben
julliezouden getrepaneerd hebben
zijzouden getrepaneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtrepaneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information