totaliseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of totaliseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: totaliseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: totaliserend
Past participle - Verleden deelwoord: getotaliseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktotaliseer
jijtotaliseert
hijtotaliseert
wijtotaliseren
jullietotaliseren
zijtotaliseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getotaliseerd
jijhebt getotaliseerd
hijheeft getotaliseerd
wijhebben getotaliseerd
julliehebben getotaliseerd
zijhebben getotaliseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktotaliseerde
jijtotaliseerde
hijtotaliseerde
wijtotaliseerden
jullietotaliseerden
zijtotaliseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getotaliseerd
jijhad getotaliseerd
hijhad getotaliseerd
wijhadden getotaliseerd
julliehadden getotaliseerd
zijhadden getotaliseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal totaliseren
jijzult totaliseren
hijzal totaliseren
wijzullen totaliseren
julliezullen totaliseren
zijzullen totaliseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getotaliseerd hebben
jijzult getotaliseerd hebben
hijzal getotaliseerd hebben
wijzullen getotaliseerd hebben
julliezullen getotaliseerd hebben
zijzullen getotaliseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou totaliseren
jijzou totaliseren
hijzou totaliseren
wijzouden totaliseren
julliezouden totaliseren
zijzouden totaliseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getotaliseerd hebben
jijzou getotaliseerd hebben
hijzou getotaliseerd hebben
wijzouden getotaliseerd hebben
julliezouden getotaliseerd hebben
zijzouden getotaliseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtotaliseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information