toewijden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of toewijden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: toewijden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: toewijdend
Past participle - Verleden deelwoord: toegewijd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwijd toe
jijwijdt toe
hijwijdt toe
wijwijden toe
julliewijden toe
zijwijden toe

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb toegewijd
jijhebt toegewijd
hijheeft toegewijd
wijhebben toegewijd
julliehebben toegewijd
zijhebben toegewijd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwijdde toe
jijwijdde toe
hijwijdde toe
wijwijdden toe
julliewijdden toe
zijwijdden toe

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad toegewijd
jijhad toegewijd
hijhad toegewijd
wijhadden toegewijd
julliehadden toegewijd
zijhadden toegewijd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal toewijden
jijzult toewijden
hijzal toewijden
wijzullen toewijden
julliezullen toewijden
zijzullen toewijden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal toegewijd hebben
jijzult toegewijd hebben
hijzal toegewijd hebben
wijzullen toegewijd hebben
julliezullen toegewijd hebben
zijzullen toegewijd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou toewijden
jijzou toewijden
hijzou toewijden
wijzouden toewijden
julliezouden toewijden
zijzouden toewijden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou toegewijd hebben
jijzou toegewijd hebben
hijzou toegewijd hebben
wijzouden toegewijd hebben
julliezouden toegewijd hebben
zijzouden toegewijd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwijd toe

Translations

  • devote, to commit for a certain matter
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From toe + wijden.

    Additional Information