toereiken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of toereiken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: toereiken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: toereikend
Past participle - Verleden deelwoord: toegereikt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikreik toe
jijreikt toe
hijreikt toe
wijreiken toe
julliereiken toe
zijreiken toe

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb toegereikt
jijhebt toegereikt
hijheeft toegereikt
wijhebben toegereikt
julliehebben toegereikt
zijhebben toegereikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikreikte toe
jijreikte toe
hijreikte toe
wijreikten toe
julliereikten toe
zijreikten toe

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad toegereikt
jijhad toegereikt
hijhad toegereikt
wijhadden toegereikt
julliehadden toegereikt
zijhadden toegereikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal toereiken
jijzult toereiken
hijzal toereiken
wijzullen toereiken
julliezullen toereiken
zijzullen toereiken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal toegereikt hebben
jijzult toegereikt hebben
hijzal toegereikt hebben
wijzullen toegereikt hebben
julliezullen toegereikt hebben
zijzullen toegereikt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou toereiken
jijzou toereiken
hijzou toereiken
wijzouden toereiken
julliezouden toereiken
zijzouden toereiken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou toegereikt hebben
jijzou toegereikt hebben
hijzou toegereikt hebben
wijzouden toegereikt hebben
julliezouden toegereikt hebben
zijzouden toegereikt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijreik toe

Translations

  • suffice, be enough, sufficient, adequate
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aanreiken
    aanbieden, aangeven, geven, offreren, overreiken, presenteren

    Sample Sentences

    Etymology

    From toe + reiken.

    Additional Information