ticken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ticken

The word "ticken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ticken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tickend
Past participle - Verleden deelwoord: getickt

Cognates

See the 2 cognates of ticken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktick
jijtickt
hijtickt
wijticken
jullieticken
zijticken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getickt
jijhebt getickt
hijheeft getickt
wijhebben getickt
julliehebben getickt
zijhebben getickt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktickte
jijtickte
hijtickte
wijtickten
jullietickten
zijtickten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getickt
jijhad getickt
hijhad getickt
wijhadden getickt
julliehadden getickt
zijhadden getickt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ticken
jijzult ticken
hijzal ticken
wijzullen ticken
julliezullen ticken
zijzullen ticken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getickt hebben
jijzult getickt hebben
hijzal getickt hebben
wijzullen getickt hebben
julliezullen getickt hebben
zijzullen getickt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ticken
jijzou ticken
hijzou ticken
wijzouden ticken
julliezouden ticken
zijzouden ticken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getickt hebben
jijzou getickt hebben
hijzou getickt hebben
wijzouden getickt hebben
julliezouden getickt hebben
zijzouden getickt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtick

Verbs similar to 'ticken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "ticken"

Luxembourgish zecken.

Additional Information