tarreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tarreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tarreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tarrerend
Past participle - Verleden deelwoord: getarreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktarreer
jijtarreert
hijtarreert
wijtarreren
jullietarreren
zijtarreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getarreerd
jijhebt getarreerd
hijheeft getarreerd
wijhebben getarreerd
julliehebben getarreerd
zijhebben getarreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktarreerde
jijtarreerde
hijtarreerde
wijtarreerden
jullietarreerden
zijtarreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getarreerd
jijhad getarreerd
hijhad getarreerd
wijhadden getarreerd
julliehadden getarreerd
zijhadden getarreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tarreren
jijzult tarreren
hijzal tarreren
wijzullen tarreren
julliezullen tarreren
zijzullen tarreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getarreerd hebben
jijzult getarreerd hebben
hijzal getarreerd hebben
wijzullen getarreerd hebben
julliezullen getarreerd hebben
zijzullen getarreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tarreren
jijzou tarreren
hijzou tarreren
wijzouden tarreren
julliezouden tarreren
zijzouden tarreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getarreerd hebben
jijzou getarreerd hebben
hijzou getarreerd hebben
wijzouden getarreerd hebben
julliezouden getarreerd hebben
zijzouden getarreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtarreer

Translations

  • tare, to take into account the weight of a container
  • tare, to set a zero value on an instrument
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information