tariferen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tariferen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tariferen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tariferend
Past participle - Verleden deelwoord: getarifeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktarifeer
jijtarifeert
hijtarifeert
wijtariferen
jullietariferen
zijtariferen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getarifeerd
jijhebt getarifeerd
hijheeft getarifeerd
wijhebben getarifeerd
julliehebben getarifeerd
zijhebben getarifeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktarifeerde
jijtarifeerde
hijtarifeerde
wijtarifeerden
jullietarifeerden
zijtarifeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getarifeerd
jijhad getarifeerd
hijhad getarifeerd
wijhadden getarifeerd
julliehadden getarifeerd
zijhadden getarifeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tariferen
jijzult tariferen
hijzal tariferen
wijzullen tariferen
julliezullen tariferen
zijzullen tariferen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getarifeerd hebben
jijzult getarifeerd hebben
hijzal getarifeerd hebben
wijzullen getarifeerd hebben
julliezullen getarifeerd hebben
zijzullen getarifeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tariferen
jijzou tariferen
hijzou tariferen
wijzouden tariferen
julliezouden tariferen
zijzouden tariferen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getarifeerd hebben
jijzou getarifeerd hebben
hijzou getarifeerd hebben
wijzouden getarifeerd hebben
julliezouden getarifeerd hebben
zijzouden getarifeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtarifeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information