tafelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tafelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tafelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tafelend
Past participle - Verleden deelwoord: getafeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktafel
jijtafelt
hijtafelt
wijtafelen
jullietafelen
zijtafelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getafeld
jijhebt getafeld
hijheeft getafeld
wijhebben getafeld
julliehebben getafeld
zijhebben getafeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktafelde
jijtafelde
hijtafelde
wijtafelden
jullietafelden
zijtafelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getafeld
jijhad getafeld
hijhad getafeld
wijhadden getafeld
julliehadden getafeld
zijhadden getafeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tafelen
jijzult tafelen
hijzal tafelen
wijzullen tafelen
julliezullen tafelen
zijzullen tafelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getafeld hebben
jijzult getafeld hebben
hijzal getafeld hebben
wijzullen getafeld hebben
julliezullen getafeld hebben
zijzullen getafeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tafelen
jijzou tafelen
hijzou tafelen
wijzouden tafelen
julliezouden tafelen
zijzouden tafelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getafeld hebben
jijzou getafeld hebben
hijzou getafeld hebben
wijzouden getafeld hebben
julliezouden getafeld hebben
zijzouden getafeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtafel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From tafel + -en.

Additional Information