sukkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sukkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sukkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sukkelend
Past participle - Verleden deelwoord: gesukkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksukkel
jijsukkelt
hijsukkelt
wijsukkelen
julliesukkelen
zijsukkelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesukkeld
jijhebt gesukkeld
hijheeft gesukkeld
wijhebben gesukkeld
julliehebben gesukkeld
zijhebben gesukkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksukkelde
jijsukkelde
hijsukkelde
wijsukkelden
julliesukkelden
zijsukkelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesukkeld
jijhad gesukkeld
hijhad gesukkeld
wijhadden gesukkeld
julliehadden gesukkeld
zijhadden gesukkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sukkelen
jijzult sukkelen
hijzal sukkelen
wijzullen sukkelen
julliezullen sukkelen
zijzullen sukkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesukkeld hebben
jijzult gesukkeld hebben
hijzal gesukkeld hebben
wijzullen gesukkeld hebben
julliezullen gesukkeld hebben
zijzullen gesukkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sukkelen
jijzou sukkelen
hijzou sukkelen
wijzouden sukkelen
julliezouden sukkelen
zijzouden sukkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesukkeld hebben
jijzou gesukkeld hebben
hijzou gesukkeld hebben
wijzouden gesukkeld hebben
julliezouden gesukkeld hebben
zijzouden gesukkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsukkel

Translations

  • ail, to be ill
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Hij sukkelt al lang met zijn gezondheid. (He has been struggling with his health for a long time.)
    • Na jarenlang sukkelen lijkt een succesvolle afronding van het project nu dan toch in zicht. (After years of struggling, a successful completion of the project now seems to be in sight.)

    Etymology

    Unclear, perhaps onomatopoeic, perhaps related to ziek (“ill”).

    Additional Information