mokkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of mokkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: mokkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: mokkelend
Past participle - Verleden deelwoord: gemokkeld

Cognates

See the 2 cognates of mokkelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmokkel
jijmokkelt
hijmokkelt
wijmokkelen
julliemokkelen
zijmokkelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemokkeld
jijhebt gemokkeld
hijheeft gemokkeld
wijhebben gemokkeld
julliehebben gemokkeld
zijhebben gemokkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmokkelde
jijmokkelde
hijmokkelde
wijmokkelden
julliemokkelden
zijmokkelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemokkeld
jijhad gemokkeld
hijhad gemokkeld
wijhadden gemokkeld
julliehadden gemokkeld
zijhadden gemokkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal mokkelen
jijzult mokkelen
hijzal mokkelen
wijzullen mokkelen
julliezullen mokkelen
zijzullen mokkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemokkeld hebben
jijzult gemokkeld hebben
hijzal gemokkeld hebben
wijzullen gemokkeld hebben
julliezullen gemokkeld hebben
zijzullen gemokkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou mokkelen
jijzou mokkelen
hijzou mokkelen
wijzouden mokkelen
julliezouden mokkelen
zijzouden mokkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemokkeld hebben
jijzou gemokkeld hebben
hijzou gemokkeld hebben
wijzouden gemokkeld hebben
julliezouden gemokkeld hebben
zijzouden gemokkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmokkel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "mokkelen"

English mitch.

Additional Information