stuwen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stuwen

The word "stuwen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stuwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stuwend
Past participle - Verleden deelwoord: gestuuwd

Cognates

See the 2 cognates of stuwen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstuuw
jijstuuwt
hijstuuwt
wijstuwen
julliestuwen
zijstuwen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestuuwd
jijhebt gestuuwd
hijheeft gestuuwd
wijhebben gestuuwd
julliehebben gestuuwd
zijhebben gestuuwd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstuuwde
jijstuuwde
hijstuuwde
wijstuuwden
julliestuuwden
zijstuuwden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestuuwd
jijhad gestuuwd
hijhad gestuuwd
wijhadden gestuuwd
julliehadden gestuuwd
zijhadden gestuuwd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stuwen
jijzult stuwen
hijzal stuwen
wijzullen stuwen
julliezullen stuwen
zijzullen stuwen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestuuwd hebben
jijzult gestuuwd hebben
hijzal gestuuwd hebben
wijzullen gestuuwd hebben
julliezullen gestuuwd hebben
zijzullen gestuuwd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stuwen
jijzou stuwen
hijzou stuwen
wijzouden stuwen
julliezouden stuwen
zijzouden stuwen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestuuwd hebben
jijzou gestuuwd hebben
hijzou gestuuwd hebben
wijzouden gestuuwd hebben
julliezouden gestuuwd hebben
zijzouden gestuuwd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstuuw

Verbs similar to 'stuwen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch stouwen, ultimately from the root of stuw (“weir”). Cognate with stouwen.

Verbs referencing "stuwen"

English stow, Danish stuve.

Additional Information