stipuleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stipuleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stipuleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stipulerend
Past participle - Verleden deelwoord: gestipuleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstipuleer
jijstipuleert
hijstipuleert
wijstipuleren
julliestipuleren
zijstipuleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestipuleerd
jijhebt gestipuleerd
hijheeft gestipuleerd
wijhebben gestipuleerd
julliehebben gestipuleerd
zijhebben gestipuleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstipuleerde
jijstipuleerde
hijstipuleerde
wijstipuleerden
julliestipuleerden
zijstipuleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestipuleerd
jijhad gestipuleerd
hijhad gestipuleerd
wijhadden gestipuleerd
julliehadden gestipuleerd
zijhadden gestipuleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stipuleren
jijzult stipuleren
hijzal stipuleren
wijzullen stipuleren
julliezullen stipuleren
zijzullen stipuleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestipuleerd hebben
jijzult gestipuleerd hebben
hijzal gestipuleerd hebben
wijzullen gestipuleerd hebben
julliezullen gestipuleerd hebben
zijzullen gestipuleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stipuleren
jijzou stipuleren
hijzou stipuleren
wijzouden stipuleren
julliezouden stipuleren
zijzouden stipuleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestipuleerd hebben
jijzou gestipuleerd hebben
hijzou gestipuleerd hebben
wijzouden gestipuleerd hebben
julliezouden gestipuleerd hebben
zijzouden gestipuleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstipuleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French stipuler, from Latin stipulārī. See: French 'stipuler', Latin 'stipulor'.

Additional Information