Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: steunen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: steunend
Past participle - Verleden deelwoord: gesteund
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | steun |
| jij | steunt |
| hij | steunt |
| wij | steunen |
| jullie | steunen |
| zij | steunen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gesteund |
| jij | hebt gesteund |
| hij | heeft gesteund |
| wij | hebben gesteund |
| jullie | hebben gesteund |
| zij | hebben gesteund |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | steunde |
| jij | steunde |
| hij | steunde |
| wij | steunden |
| jullie | steunden |
| zij | steunden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gesteund |
| jij | had gesteund |
| hij | had gesteund |
| wij | hadden gesteund |
| jullie | hadden gesteund |
| zij | hadden gesteund |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal steunen |
| jij | zult steunen |
| hij | zal steunen |
| wij | zullen steunen |
| jullie | zullen steunen |
| zij | zullen steunen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gesteund hebben |
| jij | zult gesteund hebben |
| hij | zal gesteund hebben |
| wij | zullen gesteund hebben |
| jullie | zullen gesteund hebben |
| zij | zullen gesteund hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou steunen |
| jij | zou steunen |
| hij | zou steunen |
| wij | zouden steunen |
| jullie | zouden steunen |
| zij | zouden steunen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gesteund hebben |
| jij | zou gesteund hebben |
| hij | zou gesteund hebben |
| wij | zouden gesteund hebben |
| jullie | zouden gesteund hebben |
| zij | zouden gesteund hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'steunen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'steunen'
dreunen,
kreunen,
leunen,
steken,
stelen,
stellen,
stemmen,
sterken,
sterven,
sturen,
Translations
aid, to support
back, to support
encourage, foster, give help or patronage
support, to support
support, to keep from falling
support, to back a cause, party, etc., mentally or with concrete aid
support, to help, particularly financially
truss, to support
uphold, to keep erect
Sample Sentences
-
[...] in het midden der maatschappij en van al de genoegens der wereld, en mij het gebrek aan menschelijken omgang vergoedde door zijne tegenwoordigheid, en de uitstorting zijner genade op mijne ziel, mij steunende, troostende en bemoedigende door op zijne Voorzienigheid hier, en op zijn eeuwig bijzijn hier namaals te hopen.
(Robinson Crusoe)
-
[...] gerucht te maken, dat ik daarvan wakker moest worden, want mijn binnenste wal was nu geheel met een dak voorzien van lange staken, die mijn geheele tent overdekten, en tegen den kant van den heuvel steunden, die weder dwars met kleine stokken en vervolgens met stroo van rijst bedekt waren, welk laatste zoo sterk als riet was. Aan de opening, met welke ik door de ladder in of uitging, had ik eene soort [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] onthalen, door een stuk geitenvleesch aan het spit te steken. Ik deed dit, gelijk ik in Engeland dikwijls gezien had, door het vleesch in een stuk aan een staak te hangen, die op twee andere staken steunde, en deze te draaijen. Vrijdag stond dit verbaasd aan te zien, maar toen hij het vleesch proefde, gaf hij mij op allerlei wijzen te verstaan hoe goed het hem smaakte, en eindelijk gaf hij te kennen, [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch stōnen, from Old Dutch *stonōn, *stunōn, from Proto-West Germanic *stunōn (“to sound, crash, bang, strike, knock”), from Proto-Germanic *stunōną (“to make a loud sound, thunder, crash, rumble, groan”), from Proto-Indo-European *(s)tenh₂- (“to thunder”). See: Proto-Germanic '
*stunōną'.
Verbs referencing "steunen"
English
stun, German, old spelling
stöhnen.
Additional Information