spenderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of spenderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: spenderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: spenderend
Past participle - Verleden deelwoord: gespendeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspendeer
jijspendeert
hijspendeert
wijspenderen
julliespenderen
zijspenderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gespendeerd
jijhebt gespendeerd
hijheeft gespendeerd
wijhebben gespendeerd
julliehebben gespendeerd
zijhebben gespendeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspendeerde
jijspendeerde
hijspendeerde
wijspendeerden
julliespendeerden
zijspendeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gespendeerd
jijhad gespendeerd
hijhad gespendeerd
wijhadden gespendeerd
julliehadden gespendeerd
zijhadden gespendeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal spenderen
jijzult spenderen
hijzal spenderen
wijzullen spenderen
julliezullen spenderen
zijzullen spenderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gespendeerd hebben
jijzult gespendeerd hebben
hijzal gespendeerd hebben
wijzullen gespendeerd hebben
julliezullen gespendeerd hebben
zijzullen gespendeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou spenderen
jijzou spenderen
hijzou spenderen
wijzouden spenderen
julliezouden spenderen
zijzouden spenderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gespendeerd hebben
jijzou gespendeerd hebben
hijzou gespendeerd hebben
wijzouden gespendeerd hebben
julliezouden gespendeerd hebben
zijzouden gespendeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspendeer

Translations

  • disburse, to pay out
  • spend, to pay out
  • spend, to consume, to use up (time)
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Italian spendere. See: Italian 'spendere'.

    Additional Information