snuiten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of snuiten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: snuiten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: snuitend
Past participle - Verleden deelwoord: gesnoten

Cognates

See the 4 cognates of snuiten

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksnuit
jijsnuit
hijsnuit
wijsnuiten
julliesnuiten
zijsnuiten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesnoten
jijhebt gesnoten
hijheeft gesnoten
wijhebben gesnoten
julliehebben gesnoten
zijhebben gesnoten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksnoot
jijsnoot
hijsnoot
wijsnoten
julliesnoten
zijsnoten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesnoten
jijhad gesnoten
hijhad gesnoten
wijhadden gesnoten
julliehadden gesnoten
zijhadden gesnoten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal snuiten
jijzult snuiten
hijzal snuiten
wijzullen snuiten
julliezullen snuiten
zijzullen snuiten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesnoten hebben
jijzult gesnoten hebben
hijzal gesnoten hebben
wijzullen gesnoten hebben
julliezullen gesnoten hebben
zijzullen gesnoten hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou snuiten
jijzou snuiten
hijzou snuiten
wijzouden snuiten
julliezouden snuiten
zijzouden snuiten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesnoten hebben
jijzou gesnoten hebben
hijzou gesnoten hebben
wijzouden gesnoten hebben
julliezouden gesnoten hebben
zijzouden gesnoten hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsnuit

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

trompetten
snotteren

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch snuten, from Old Dutch *snūten, from Proto-West Germanic *snūtijan, from Proto-Germanic *snūtijaną. See: Proto-Germanic '*snūtijaną'.

Verbs referencing "snuiten"

Danish snyde.

Additional Information