snotteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of snotteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: snotteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: snotterend
Past participle - Verleden deelwoord: gesnotterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksnotter
jijsnottert
hijsnottert
wijsnotteren
julliesnotteren
zijsnotteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesnotterd
jijhebt gesnotterd
hijheeft gesnotterd
wijhebben gesnotterd
julliehebben gesnotterd
zijhebben gesnotterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksnotterde
jijsnotterde
hijsnotterde
wijsnotterden
julliesnotterden
zijsnotterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesnotterd
jijhad gesnotterd
hijhad gesnotterd
wijhadden gesnotterd
julliehadden gesnotterd
zijhadden gesnotterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal snotteren
jijzult snotteren
hijzal snotteren
wijzullen snotteren
julliezullen snotteren
zijzullen snotteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesnotterd hebben
jijzult gesnotterd hebben
hijzal gesnotterd hebben
wijzullen gesnotterd hebben
julliezullen gesnotterd hebben
zijzullen gesnotterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou snotteren
jijzou snotteren
hijzou snotteren
wijzouden snotteren
julliezouden snotteren
zijzouden snotteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesnotterd hebben
jijzou gesnotterd hebben
hijzou gesnotterd hebben
wijzouden gesnotterd hebben
julliezouden gesnotterd hebben
zijzouden gesnotterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsnotter

Translations

  • sob, weep with convulsive gasps
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From snot + -eren.

    Additional Information