smalen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of smalen

The word "smalen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: smalen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: smalend
Past participle - Verleden deelwoord: gesmaald

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksmaal
jijsmaalt
hijsmaalt
wijsmalen
julliesmalen
zijsmalen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesmaald
jijhebt gesmaald
hijheeft gesmaald
wijhebben gesmaald
julliehebben gesmaald
zijhebben gesmaald

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksmaalde
jijsmaalde
hijsmaalde
wijsmaalden
julliesmaalden
zijsmaalden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesmaald
jijhad gesmaald
hijhad gesmaald
wijhadden gesmaald
julliehadden gesmaald
zijhadden gesmaald

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal smalen
jijzult smalen
hijzal smalen
wijzullen smalen
julliezullen smalen
zijzullen smalen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesmaald hebben
jijzult gesmaald hebben
hijzal gesmaald hebben
wijzullen gesmaald hebben
julliezullen gesmaald hebben
zijzullen gesmaald hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou smalen
jijzou smalen
hijzou smalen
wijzouden smalen
julliezouden smalen
zijzouden smalen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesmaald hebben
jijzou gesmaald hebben
hijzou gesmaald hebben
wijzouden gesmaald hebben
julliezouden gesmaald hebben
zijzouden gesmaald hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsmaal

Verbs similar to 'smalen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch smalen. Equivalent to smal + -en.

Additional Information