showen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of showen

The word "showen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: showen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: showend
Past participle - Verleden deelwoord: geshoowd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikshoow
jijshoowt
hijshoowt
wijshowen
jullieshowen
zijshowen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geshoowd
jijhebt geshoowd
hijheeft geshoowd
wijhebben geshoowd
julliehebben geshoowd
zijhebben geshoowd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikshoowde
jijshoowde
hijshoowde
wijshoowden
jullieshoowden
zijshoowden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geshoowd
jijhad geshoowd
hijhad geshoowd
wijhadden geshoowd
julliehadden geshoowd
zijhadden geshoowd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal showen
jijzult showen
hijzal showen
wijzullen showen
julliezullen showen
zijzullen showen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geshoowd hebben
jijzult geshoowd hebben
hijzal geshoowd hebben
wijzullen geshoowd hebben
julliezullen geshoowd hebben
zijzullen geshoowd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou showen
jijzou showen
hijzou showen
wijzouden showen
julliezouden showen
zijzouden showen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geshoowd hebben
jijzou geshoowd hebben
hijzou geshoowd hebben
wijzouden geshoowd hebben
julliezouden geshoowd hebben
zijzouden geshoowd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijshoow

Verbs similar to 'showen'

Translations

  • show, to display
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information