roosten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of roosten

The word "roosten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: roosten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: roostend
Past participle - Verleden deelwoord: geroost

Cognates

See the 2 cognates of roosten

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikroost
jijroost
hijroost
wijroosten
jullieroosten
zijroosten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geroost
jijhebt geroost
hijheeft geroost
wijhebben geroost
julliehebben geroost
zijhebben geroost

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikroostte
jijroostte
hijroostte
wijroostten
jullieroostten
zijroostten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geroost
jijhad geroost
hijhad geroost
wijhadden geroost
julliehadden geroost
zijhadden geroost

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal roosten
jijzult roosten
hijzal roosten
wijzullen roosten
julliezullen roosten
zijzullen roosten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geroost hebben
jijzult geroost hebben
hijzal geroost hebben
wijzullen geroost hebben
julliezullen geroost hebben
zijzullen geroost hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou roosten
jijzou roosten
hijzou roosten
wijzouden roosten
julliezouden roosten
zijzouden roosten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geroost hebben
jijzou geroost hebben
hijzou geroost hebben
wijzouden geroost hebben
julliezouden geroost hebben
zijzouden geroost hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijroost

Verbs similar to 'roosten'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch rôosten, from Old Dutch *rōsten, from Proto-West Germanic *raustijan.

Verbs referencing "roosten"

English roast.

Additional Information