resulteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of resulteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: resulteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: resulterend
Past participle - Verleden deelwoord: geresulteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikresulteer
jijresulteert
hijresulteert
wijresulteren
jullieresulteren
zijresulteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geresulteerd
jijhebt geresulteerd
hijheeft geresulteerd
wijhebben geresulteerd
julliehebben geresulteerd
zijhebben geresulteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikresulteerde
jijresulteerde
hijresulteerde
wijresulteerden
jullieresulteerden
zijresulteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geresulteerd
jijhad geresulteerd
hijhad geresulteerd
wijhadden geresulteerd
julliehadden geresulteerd
zijhadden geresulteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal resulteren
jijzult resulteren
hijzal resulteren
wijzullen resulteren
julliezullen resulteren
zijzullen resulteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geresulteerd hebben
jijzult geresulteerd hebben
hijzal geresulteerd hebben
wijzullen geresulteerd hebben
julliezullen geresulteerd hebben
zijzullen geresulteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou resulteren
jijzou resulteren
hijzou resulteren
wijzouden resulteren
julliezouden resulteren
zijzouden resulteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geresulteerd hebben
jijzou geresulteerd hebben
hijzou geresulteerd hebben
wijzouden geresulteerd hebben
julliezouden geresulteerd hebben
zijzouden geresulteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijresulteer

Translations

  • result, to come out
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French résulter. See: French 'résulter'.

    Additional Information