ressorteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ressorteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ressorteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ressorterend
Past participle - Verleden deelwoord: geressorteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikressorteer
jijressorteert
hijressorteert
wijressorteren
jullieressorteren
zijressorteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geressorteerd
jijhebt geressorteerd
hijheeft geressorteerd
wijhebben geressorteerd
julliehebben geressorteerd
zijhebben geressorteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikressorteerde
jijressorteerde
hijressorteerde
wijressorteerden
jullieressorteerden
zijressorteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geressorteerd
jijhad geressorteerd
hijhad geressorteerd
wijhadden geressorteerd
julliehadden geressorteerd
zijhadden geressorteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ressorteren
jijzult ressorteren
hijzal ressorteren
wijzullen ressorteren
julliezullen ressorteren
zijzullen ressorteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geressorteerd hebben
jijzult geressorteerd hebben
hijzal geressorteerd hebben
wijzullen geressorteerd hebben
julliezullen geressorteerd hebben
zijzullen geressorteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ressorteren
jijzou ressorteren
hijzou ressorteren
wijzouden ressorteren
julliezouden ressorteren
zijzouden ressorteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geressorteerd hebben
jijzou geressorteerd hebben
hijzou geressorteerd hebben
wijzouden geressorteerd hebben
julliezouden geressorteerd hebben
zijzouden geressorteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijressorteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information