resoneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of resoneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: resoneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: resonerend
Past participle - Verleden deelwoord: geresoneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikresoneer
jijresoneert
hijresoneert
wijresoneren
jullieresoneren
zijresoneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geresoneerd
jijhebt geresoneerd
hijheeft geresoneerd
wijhebben geresoneerd
julliehebben geresoneerd
zijhebben geresoneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikresoneerde
jijresoneerde
hijresoneerde
wijresoneerden
jullieresoneerden
zijresoneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geresoneerd
jijhad geresoneerd
hijhad geresoneerd
wijhadden geresoneerd
julliehadden geresoneerd
zijhadden geresoneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal resoneren
jijzult resoneren
hijzal resoneren
wijzullen resoneren
julliezullen resoneren
zijzullen resoneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geresoneerd hebben
jijzult geresoneerd hebben
hijzal geresoneerd hebben
wijzullen geresoneerd hebben
julliezullen geresoneerd hebben
zijzullen geresoneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou resoneren
jijzou resoneren
hijzou resoneren
wijzouden resoneren
julliezouden resoneren
zijzouden resoneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geresoneerd hebben
jijzou geresoneerd hebben
hijzou geresoneerd hebben
wijzouden geresoneerd hebben
julliezouden geresoneerd hebben
zijzouden geresoneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijresoneer

Translations

  • resonate, to vibrate or sound, especially in response to another vibration
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information