repliceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of repliceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: repliceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: replicerend
Past participle - Verleden deelwoord: gerepliceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrepliceer
jijrepliceert
hijrepliceert
wijrepliceren
jullierepliceren
zijrepliceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerepliceerd
jijhebt gerepliceerd
hijheeft gerepliceerd
wijhebben gerepliceerd
julliehebben gerepliceerd
zijhebben gerepliceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrepliceerde
jijrepliceerde
hijrepliceerde
wijrepliceerden
jullierepliceerden
zijrepliceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerepliceerd
jijhad gerepliceerd
hijhad gerepliceerd
wijhadden gerepliceerd
julliehadden gerepliceerd
zijhadden gerepliceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal repliceren
jijzult repliceren
hijzal repliceren
wijzullen repliceren
julliezullen repliceren
zijzullen repliceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerepliceerd hebben
jijzult gerepliceerd hebben
hijzal gerepliceerd hebben
wijzullen gerepliceerd hebben
julliezullen gerepliceerd hebben
zijzullen gerepliceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou repliceren
jijzou repliceren
hijzou repliceren
wijzouden repliceren
julliezouden repliceren
zijzouden repliceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerepliceerd hebben
jijzou gerepliceerd hebben
hijzou gerepliceerd hebben
wijzouden gerepliceerd hebben
julliezouden gerepliceerd hebben
zijzouden gerepliceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrepliceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information