relayeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of relayeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: relayeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: relayerend
Past participle - Verleden deelwoord: gerelayeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrelayeer
jijrelayeert
hijrelayeert
wijrelayeren
jullierelayeren
zijrelayeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerelayeerd
jijhebt gerelayeerd
hijheeft gerelayeerd
wijhebben gerelayeerd
julliehebben gerelayeerd
zijhebben gerelayeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrelayeerde
jijrelayeerde
hijrelayeerde
wijrelayeerden
jullierelayeerden
zijrelayeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerelayeerd
jijhad gerelayeerd
hijhad gerelayeerd
wijhadden gerelayeerd
julliehadden gerelayeerd
zijhadden gerelayeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal relayeren
jijzult relayeren
hijzal relayeren
wijzullen relayeren
julliezullen relayeren
zijzullen relayeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerelayeerd hebben
jijzult gerelayeerd hebben
hijzal gerelayeerd hebben
wijzullen gerelayeerd hebben
julliezullen gerelayeerd hebben
zijzullen gerelayeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou relayeren
jijzou relayeren
hijzou relayeren
wijzouden relayeren
julliezouden relayeren
zijzouden relayeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerelayeerd hebben
jijzou gerelayeerd hebben
hijzou gerelayeerd hebben
wijzouden gerelayeerd hebben
julliezouden gerelayeerd hebben
zijzouden gerelayeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrelayeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information