relateren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of relateren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: relateren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: relaterend
Past participle - Verleden deelwoord: gerelateerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrelateer
jijrelateert
hijrelateert
wijrelateren
jullierelateren
zijrelateren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerelateerd
jijhebt gerelateerd
hijheeft gerelateerd
wijhebben gerelateerd
julliehebben gerelateerd
zijhebben gerelateerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrelateerde
jijrelateerde
hijrelateerde
wijrelateerden
jullierelateerden
zijrelateerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerelateerd
jijhad gerelateerd
hijhad gerelateerd
wijhadden gerelateerd
julliehadden gerelateerd
zijhadden gerelateerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal relateren
jijzult relateren
hijzal relateren
wijzullen relateren
julliezullen relateren
zijzullen relateren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerelateerd hebben
jijzult gerelateerd hebben
hijzal gerelateerd hebben
wijzullen gerelateerd hebben
julliezullen gerelateerd hebben
zijzullen gerelateerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou relateren
jijzou relateren
hijzou relateren
wijzouden relateren
julliezouden relateren
zijzouden relateren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerelateerd hebben
jijzou gerelateerd hebben
hijzou gerelateerd hebben
wijzouden gerelateerd hebben
julliezouden gerelateerd hebben
zijzouden gerelateerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrelateer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information