Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: reiken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: reikend
Past participle - Verleden deelwoord: gereikt
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | reik |
| jij | reikt |
| hij | reikt |
| wij | reiken |
| jullie | reiken |
| zij | reiken |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gereikt |
| jij | hebt gereikt |
| hij | heeft gereikt |
| wij | hebben gereikt |
| jullie | hebben gereikt |
| zij | hebben gereikt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | reikte |
| jij | reikte |
| hij | reikte |
| wij | reikten |
| jullie | reikten |
| zij | reikten |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gereikt |
| jij | had gereikt |
| hij | had gereikt |
| wij | hadden gereikt |
| jullie | hadden gereikt |
| zij | hadden gereikt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal reiken |
| jij | zult reiken |
| hij | zal reiken |
| wij | zullen reiken |
| jullie | zullen reiken |
| zij | zullen reiken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gereikt hebben |
| jij | zult gereikt hebben |
| hij | zal gereikt hebben |
| wij | zullen gereikt hebben |
| jullie | zullen gereikt hebben |
| zij | zullen gereikt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou reiken |
| jij | zou reiken |
| hij | zou reiken |
| wij | zouden reiken |
| jullie | zouden reiken |
| zij | zouden reiken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gereikt hebben |
| jij | zou gereikt hebben |
| hij | zou gereikt hebben |
| wij | zouden gereikt hebben |
| jullie | zouden gereikt hebben |
| zij | zouden gereikt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'reiken'
aanboeken,
aaneenkoeken,
aangrinniken,
aanharken,
aanjanken,
aanjuichen,
aankalken,
aanlijken,
aanlonken,
aanmerken,
aanreiken,
aanstuiken,
aanvonken,
aanwenken,
aanwerken,
afchecken,
afdanken,
afharken,
afkalken,
afkicken, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'reiken'
reizen,
rekken,
ruiken,
afreiken,
bereiken,
beuken,
breken,
dekken,
denken,
deuken,
Translations
stretch, to extend from limit to limit
Sample Sentences
-
[...] buis van geitenvellen die mij tot halverwege de knieën kwam, en een broek, die tot over de knieën hing, van de huid van een ouden bok gemaakt, wiens haar zoolang was dat het mij tot aan den voet reikte. Ik had geen kousen of schoenen, maar een paar laarzen gemaakt, die ik om mijne beenen sloeg en vastreeg, maar van een allerleelijkst maaksel, gelijk eigenlijk mijne geheele kleeding was.
(Robinson Crusoe)
-
[...] twee of drie maanden aldus de wacht gehouden te hebben, begon mij dit te vervelen echter, daar ik in al dien tijd niet het minste nabij het strand, noch op den geheelen oceaan, zoo ver mijn kijker reikte, kon ontdekken.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch reiken, from Old Dutch *reiken, from Proto-West Germanic *raikijan, from Proto-Germanic *raikijaną. See: Proto-Germanic '
*raikijaną'.
Verbs referencing "reiken"
English
reach, German, old spelling
reichen, Luxembourgish
reechen, Cimbrian rékhan.
Additional Information