reiken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of reiken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: reiken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: reikend
Past participle - Verleden deelwoord: gereikt

Cognates

See the 3 cognates of reiken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikreik
jijreikt
hijreikt
wijreiken
julliereiken
zijreiken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gereikt
jijhebt gereikt
hijheeft gereikt
wijhebben gereikt
julliehebben gereikt
zijhebben gereikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikreikte
jijreikte
hijreikte
wijreikten
julliereikten
zijreikten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gereikt
jijhad gereikt
hijhad gereikt
wijhadden gereikt
julliehadden gereikt
zijhadden gereikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal reiken
jijzult reiken
hijzal reiken
wijzullen reiken
julliezullen reiken
zijzullen reiken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gereikt hebben
jijzult gereikt hebben
hijzal gereikt hebben
wijzullen gereikt hebben
julliezullen gereikt hebben
zijzullen gereikt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou reiken
jijzou reiken
hijzou reiken
wijzouden reiken
julliezouden reiken
zijzouden reiken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gereikt hebben
jijzou gereikt hebben
hijzou gereikt hebben
wijzouden gereikt hebben
julliezouden gereikt hebben
zijzouden gereikt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijreik

Translations

  • stretch, to extend from limit to limit
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aangeven
    aanreiken, geven, overreiken

    Sample Sentences

    • [...] buis van geitenvellen die mij tot halverwege de knieën kwam, en een broek, die tot over de knieën hing, van de huid van een ouden bok gemaakt, wiens haar zoolang was dat het mij tot aan den voet reikte. Ik had geen kousen of schoenen, maar een paar laarzen gemaakt, die ik om mijne beenen sloeg en vastreeg, maar van een allerleelijkst maaksel, gelijk eigenlijk mijne geheele kleeding was. (Robinson Crusoe)
    • [...] twee of drie maanden aldus de wacht gehouden te hebben, begon mij dit te vervelen echter, daar ik in al dien tijd niet het minste nabij het strand, noch op den geheelen oceaan, zoo ver mijn kijker reikte, kon ontdekken. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch reiken, from Old Dutch *reiken, from Proto-West Germanic *raikijan, from Proto-Germanic *raikijaną. See: Proto-Germanic '*raikijaną'.

    Verbs referencing "reiken"

    English reach, German, old spelling reichen, Luxembourgish reechen, Cimbrian rékhan.

    Additional Information