reguleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of reguleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: reguleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: regulerend
Past participle - Verleden deelwoord: gereguleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikreguleer
jijreguleert
hijreguleert
wijreguleren
julliereguleren
zijreguleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gereguleerd
jijhebt gereguleerd
hijheeft gereguleerd
wijhebben gereguleerd
julliehebben gereguleerd
zijhebben gereguleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikreguleerde
jijreguleerde
hijreguleerde
wijreguleerden
julliereguleerden
zijreguleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gereguleerd
jijhad gereguleerd
hijhad gereguleerd
wijhadden gereguleerd
julliehadden gereguleerd
zijhadden gereguleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal reguleren
jijzult reguleren
hijzal reguleren
wijzullen reguleren
julliezullen reguleren
zijzullen reguleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gereguleerd hebben
jijzult gereguleerd hebben
hijzal gereguleerd hebben
wijzullen gereguleerd hebben
julliezullen gereguleerd hebben
zijzullen gereguleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou reguleren
jijzou reguleren
hijzou reguleren
wijzouden reguleren
julliezouden reguleren
zijzouden reguleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gereguleerd hebben
jijzou gereguleerd hebben
hijzou gereguleerd hebben
wijzouden gereguleerd hebben
julliezouden gereguleerd hebben
zijzouden gereguleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijreguleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Middle French réguler, from Latin regulare.

Additional Information