reformeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of reformeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: reformeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: reformerend
Past participle - Verleden deelwoord: gereformeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikreformeer
jijreformeert
hijreformeert
wijreformeren
julliereformeren
zijreformeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gereformeerd
jijhebt gereformeerd
hijheeft gereformeerd
wijhebben gereformeerd
julliehebben gereformeerd
zijhebben gereformeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikreformeerde
jijreformeerde
hijreformeerde
wijreformeerden
julliereformeerden
zijreformeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gereformeerd
jijhad gereformeerd
hijhad gereformeerd
wijhadden gereformeerd
julliehadden gereformeerd
zijhadden gereformeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal reformeren
jijzult reformeren
hijzal reformeren
wijzullen reformeren
julliezullen reformeren
zijzullen reformeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gereformeerd hebben
jijzult gereformeerd hebben
hijzal gereformeerd hebben
wijzullen gereformeerd hebben
julliezullen gereformeerd hebben
zijzullen gereformeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou reformeren
jijzou reformeren
hijzou reformeren
wijzouden reformeren
julliezouden reformeren
zijzouden reformeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gereformeerd hebben
jijzou gereformeerd hebben
hijzou gereformeerd hebben
wijzouden gereformeerd hebben
julliezouden gereformeerd hebben
zijzouden gereformeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijreformeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch reformēren, from Middle French reformer, from Old French reformer, from Latin refōrmō. See: Latin 'refōrmō'.

Additional Information